Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Amsterdam is de afgelopen weken opgeschrikt door een aantal geweldsincidenten met homo’s als doelwit. Voormalig politiewoordvoerder Ellie Lust verwoordde in tv-programma ‘M’ de ongemakkelijke waarheid: de daders zijn opvallend vaak Marokkanen. Hoe komt dat? Docent en onderzoeker Laurens Buijs (Interdisciplinaire Sociale Wetenschap): ‘De islam speelt vrijwel zeker een rol, maar het is niet de enige verklaring.’

portretfoto Laurens Buijs
Laurens Buijs: 'Homoseksualiteit staat op gespannen voet met eeuwenoude maatschappelijke normen op het gebied van mannelijkheid' (Foto: Monique Kooijmans)

Al in 2008 constateerden Laurens Buijs en zijn collega’s Gert Hekma en Jan Willem Duyvendak in hun onderzoek Als ze maar van me afblijven een oververtegenwoordiging van Marokkaanse daders in geweld tegen homo’s. De feiten uit dat onderzoek: de daders zijn meestal jongens van 17 tot 25 jaar oud, ze zijn even vaak autochtoon Nederlands als van Marokkaanse afkomst, elk 36 procent. Maar omdat autochtone Nederlanders in die leeftijdscategorie 39 procent van het totaal uitmaken en Marokkanen 16 procent is er sprake van duidelijke Marokkaanse oververtegenwoordiging.

De Amsterdamse burgemeester Femke Halsema, die eerder die week aanschoof bij M om te praten over de nieuwe golf van antihomogeweld, nam de term Marokkanen niet in de mond en hield het erbij dat “verschillende groepen” zich schuldig maken aan geweld tegen homo’s. Hoe kijk jij die tegen die reactie aan?
‘Ze draaide inderdaad om de hete brij heen. Haar reactie heeft tot veel verontwaardiging geleid overigens; deze manier van reageren wordt niet meer gepikt. Ik denk dat ze hierin nog moet groeien. Halsema wil graag een burgemeester zijn van alle Amsterdammers, geen groepen stigmatiseren. Je ziet bij haar de schroom die je vaker links-progressieve mensen ziet: ze willen zich distantiëren van racisme en durven daarom geen man en paard te noemen. Ik snap hun voorzichtigheid goed, maar ik denk dat je daarmee juist het omgekeerde bereikt – je speelt de populisten in de kaart, omdat zij vervolgens met het onderwerp aan de haal gaan. Ik zou zeggen: je moet juist wél de brandhaarden benoemen zodat je als samenleving verder kunt groeien. De vraag waar ik mee zit is: hoe kunnen we dat wetenschappelijk en genuanceerd doen, zonder te generaliseren en te discrimineren?’

Je moet juist wél de brandhaarden benoemen zodat je als samenleving verder kunt groeien

Waar komt de agressie jegens homo’s vandaan, in algemene zin?
‘Uit mijn onderzoek uit 2008 komt een heel duidelijk aspect naar voren: mannelijkheid. Homoseksualiteit staat op gespannen voet met eeuwenoude maatschappelijke normen op het gebied van mannelijkheid, die diep in ons collectieve onderbewuste zitten verstopt. Deze normen raken iedereen, en het is daarom ook een vergissing om homofobie te zien als puur een probleem van religie of etniciteit.  Inmiddels is deze traditionele mannelijkheid in een crisis geraakt. We zien in de samenleving een verschuiving plaatsvinden. Het patriarchale systeem kantelt, en mannen verliezen hun vanzelfsprekende macht steeds meer. We zitten nu in een overgangsfase, en daarin vallen nu allerlei mensen tussen de wal en het schip. De neiging om “echte mannelijkheid” te tonen en te eisen van andere mannen, wordt groter. Mensen die daarvan afwijken, zoals homoseksuelen en transgenders, roepen agressie en geweld op.’

Antihomogeweld wordt dus verklaard door brede maatschappelijke tendensen. Toch zien we dat Marokkaanse jongens zijn oververtegenwoordigd als daders. Hoe komt dat? In hoeverre speelt religie daarbij een rol?
‘Dat is een van de vragen die ik graag in een nieuw onderzoek zou willen stellen, want helemaal duidelijk is dat niet. Het is algemeen bekend dat de islam op zeer gespannen voet staat met homoseksualiteit en seksuele diversiteit in het algemeen. Het lijkt me waarschijnlijk dat dat op de een of andere manier een rol speelt, maar aan de andere kant moeten we ook niet te snel zijn met religieuze verklaringen voor antihomogeweld. Je ziet bijvoorbeeld dat islamitische jongeren van Turkse komaf zich veel minder vaak schuldig maken aan antihomogeweld. Ook bij hen is sprake van homofobe gevoelens die deels ingegeven worden door religie, maar dat uit zich veel minder in geweld. Een van de verklaringen zou kunnen zijn dat jongens van Turkse afkomst in een Turkse bubbel zitten en zich veel meer onderdeel voelen van hun gemeenschap. Marokkaanse jongeren zijn individualistischer; ze staan vaker met één been in de Marokkaanse wereld van thuis en met één been in de liberale buitenwereld. Ik wil graag verder onderzoeken wat deze spagaat met ze doet, en hoe dat mogelijk een aanjagersrol speelt in antihomogeweld. Het is in elk geval duidelijk dat ze veel vaker rond op straat rondhangen, waar ze hun mannelijkheid laten gelden. Dat uit zich in asogedrag, agressie en homofobie.’

Copyright: UvA
Homofobie uit zich lang niet altijd in homofoob geweld, en het is belangrijk om goed te onderzoeken wanneer dat wel gebeurt en wanneer niet

In dat opzicht zou je kunnen zeggen dat een religieuze bubbel juist een protectieve factor is.
‘Ja, je zou zelfs kunnen zegen: hoe orthodoxer, hoe minder kans op geweld. Homofobie uit zich lang niet altijd in homofoob geweld, en het is belangrijk om goed te onderzoeken wanneer dat wel gebeurt en wanneer niet. Maar ook als er geen sprake is van geweld ligt er natuurlijk nog steeds een grote uitdaging. Onder religieuzen, maar zelfs onder progressieve seculieren, leven nog steeds vooroordelen over homoseksualiteit en is er sprake van heteronormativiteit en achterhaalde beelden over mannelijkheid en vrouwelijkheid. Dat kan ook leiden tot ongewenste processen zoals uitsluiting van homoseksuelen. Er is dus een breed actieplan nodig, maar het antihomogeweld dat we nu zien verdient daarin wel een voorkeursbehandeling. Dit geweld werkt zo ontwrichtend, daar moeten we nu actie op ondernemen.’

Jouw vorige onderzoek is al meer dan 10 jaar oud; is er dan al die tijd niets mee gebeurd?
‘Dat zou ik zeker niet willen zeggen. We hebben daar al heel veel mee bereikt; zo wordt er op veel scholen uitgebreid in lesprogramma’s aandacht besteed aan homoseksualiteit en hebben veel bedrijven en instellingen een diversiteitsbeleid geïmplementeerd. Het is nu tijd om dóór te pakken. Door nog meer onderzoek te doen – iets waar ik nu al voorbereidende stappen voor neem – en door opnieuw een brede discussie aan te gaan. Daarbij is het belangrijk dat we de moslim queers, die zich bijvoorbeeld hebben verzameld in de Stichting Maruf, hierbij nadrukkelijk betrekken. Zij zijn de perfecte poortwachters, omdat ze beide werelden goed kennen: de moslimwereld en de homowereld. Op deze manier creëer je ook veel minder het wij-/zij-gevoel dan wanneer wij als autochtone Nederlanders met het vingertje gaan wijzen. Andere hoopgevende initiatieven vond ik de Marokkaanse boot tijdens de Gay Pride en de homovluchtelingen die zich steeds meer organiseren. Het wordt tijd dat we vierkant achter hen gaan staan.’